UItgeverij At-see

 

 

 

Ad de Haan van collega tot vriend.

Het was mei 1979 toen Ad en ik, samen met nog een paar collega’s een werkweek naar Stratford en Londen mochten begeleiden. Tot dat moment wisten we nog niet zoveel van elkaar. Hij was in mijn ogen een oudere collega (al 36) die zich enigszins over mij, de nieuwkomer, ontfermde. In Stratford  logeerden we in een jeugdherberg waar we samen met de leerlingen om 10.30 uur door de ‘warden’ naar bed werden gestuurd. In Londen werd het een hotel, waar we zelf konden bepalen hoe laat we gingen slapen.

Op de boot hadden we elk een liter jonge Bokma gekocht voor 5 gulden en na drie nachten in dat hotel waren beide flessen leeg en wisten we bijna alles van elkaar.

Vanaf die tijd is het altijd ‘aan’ gebleven. We gingen samen naar de Harmonie, haast elke week, we ontdekten samen de naaktloperij in de sauna, samen stonden we aan de wieg van de MR van Oostergo, gabbers waren we en zijn we gebleven, hopelijk tot in lengte van dagen.

Jan Muis

 

Ad en het glanzende geschenk

Toen Ad de Haan nog jong en betrekkelijk onschuldig was, bracht hij zijn door de weekse dagen in onledigheid door in een zogenaamd semi-permanent schoolgebouw met een zadeldaktorentje aan de Birdaarderstraatweg te Dockum. (Boze tongen beweren nog altijd, dat in dat torentje de brandslangen hingen opgeslagen, die ooit nodig zouden zijn, als die éne leerling zijn innerlijke drang niet zou kunnen weerstaan.)

Let wel, Ad was nog betrekkelijk onschuldig, want thuis zorgde zijn vrouw Jenny niet alleen dagelijks voor de uitstekende maaltijd, maar ook voor hun drie bloedjes van zonen, af en toe de vierde in haar reeds bollende buikje strelend. 

Dat semi-permanente gebouw bood niet alleen onderdak aan leerkrachten, die er hun werkdagen in onledigheid sleten, maar ook aan een rector, die huisde aan een nimmer door brave leerlingen bezochte zijde van de lange gang, achter een klok.

Tegenover het verblijf van die rector, die speciaal vanwege zijn functie was toegerust met een extra scherpe kijker van speciaal formaat, was een grotere ruimte met meer, en eenvoudiger meubels dan in het onderkomen van de rector stonden.

De leerkrachten brachten de tijd, die zij niet leerlingen vermakend en temmend hun kostje bij elkaar scharrelden, door in die ruimte: een zogeheten lerarenkamer. Het was een soort stal, van waaruit zij de diverse pistes betraden als het hun tijd was om op te treden.

Langs de lange gang die tussen die lerarenkamer en de ertegenover gelegen rectorskamer begon, lagen aan de westkant een stuk of vijf kleine lokalen, waar hooguit  20 leerlingen in pasten, als zij allen de adem inhielden, en aan de oostkant een schoolplein. Aan het eind van die gang kon men rechtsaf naar een later aangebouwd gedeelte van het gebouw, dat zelfs een bovenverdieping rijk was.

Het moet najaar 1974 geweest zijn, voordat de kastanjes van dat najaar de kans hadden gekregen hun stralende glans te verliezen.

Het klokje van gehoorzaamheid zette keurig op tijd de schoolbel ertoe aan alle lessen abrupt te beëindigen, en de leerkrachten van de lerarenkamer naar hun lokalen te jagen.

Bij zo’n leswisseling verliet ik de lerarenkamer, en begon mijn wandeling door de lange gang. Aan het eind van de gang ontwaarde ik een rustig, met enige zwier voortschrijdende gestalte, die zo uit een schilderij van Frans Hals gestapt had kunnen zijn: golvende blonde lokken, en net zo’n prachtige Bismarcksnor en sikje als ik van mijn Duitse opa zaliger kende.

Toen hij nog op ruime afstand van mij liep, strekte De Gestalte zijn rechterarm met geopende hand naar mij uit, en sprak de onsterfelijke woorden: ‘’Goede morgen, edele vrouwe, ik heb een geschenk voor u.’’ Ik voelde mij zeer vereerd, strekte mijn rechter arm uit met geopende hand,  aanvaarde ongezien het geoffreerde geschenk, en sprak mijn oprechte dank uit. (Terwijl De Gestalte het woord tot mij richtte, schoot uit de deuropening van de rectorskamer een hoofd tevoorschijn, als ware het een periscoop van een plotseling in nood geraakte onderzeeër.)

De Gestalte was mijn collega Nederlands Ad de Haan, en het geschenk dat ik had ontvangen bestond uit twee glanzende kastanjes.

Na enkele dagen heb ik die kastanjes in ons tuintje in Twijzelerheide in de grond gestopt. Ze kiemden! Dat had een symbolische betekenis voor me: immers, Ad en ik hadden een gemeenschappelijke vijand in de persoon van de eigenaar van het hoofd dat vanuit de rectorskamer had meegenoten van de aanbieding van ‘Het Geschenk’.

Toen wij in 1980 naar Winschoten verhuisden, verhuisden de twee onafscheidelijk samen opgroeiende kastanjes mee. Aanvankelijk kwamen ze in de achtertuin te staan, maar toen mijn toenmalige partner op die plek een cactussenbak wilde plaatsen, verplantte ik de jonge bomen naar de voortuin.

Najaar 1993 verwierf ik na een lange reeks rijlessen een heus rijbewijs. Maart 1994 mijn eerste autootje, dat altijd keurig op de gemeenschappelijke parkeerplaats stond.

Die zomer trof ik bij thuiskomst na mijn vakantie op de gemeenschappelijke parkeerplaats twee gigantische marktkramen aan: eigendom van de nieuwe buren die tijdens mijn vakantie het eerste huis van ons rijtje hadden betrokken.

Bezwaren van buurtgenoten tegen deze inname van de parkeerplaats door de nieuwe Duitse (jawel!) buurtgenoten haalden niets uit: de parkeerplaats was in beslag genomen en bleef in beslag genomen, zodat ik mijn autootje niet meer in de buurt van mijn woning kon parkeren.

Goede raad was duur, en de conclusie zuur: als ik geen eeuwigdurende oorlog met mijn weinig vriendelijke buren wilde ontketenen, moest ik hetzelfde doen als andere buurtgenoten, nl. mijn voortuintje ten minste gedeeltelijk opheffen en in gebruik nemen als parkeerplaats.

Dat zou ten koste gaan van drie bomenlevens: een spar en een Siamese kastanjetweeling, die inmiddels fors en 20 jaar oud was.

De straatmaker, die de parkeerplaats zou betegelen, had me gewaarschuwd de wortels van de kastanjes uit te graven, als ik een te plaveien voortuintje over wilde houden.

Ik dus aan het graven - dagen aaneen, elke dag een stukje - en de kerels uit de buurt op een rijtje maar staan kijken met de handen in de zakken dan wel op de rug. Ik was toen inmiddels 7 jaar alleenstaande moeder van 2 jonge dochters, dus substantiële hulp van het thuisfront viel niet te verwachten, al deden de meiden met hun schepjes hun best.

Op een goede dag begonnen de kastanjes te wankelen, gelukkig op een tijdstip dat mijn dochters thuis waren. Ik waarschuwde de jongedames dat ze iets majestueus zouden zien, als ze NU naar buiten zouden kijken. Ik stond naast de kastanjebomen met de handen in de zij naar de te vellen tweeling te kijken, stak één wijsvinger uit, gaf een stam een zetje, en daar ging het hele spul om, tot mateloze bewondering van mijn dochters. ‘Mamaaaa, hoe doe je dat!‘ Ik antwoordde met het internationaal bekende ‘spierballen-gebaar’.

Ik denk dat mijn kinderen nooit zoveel ontzag voor me hebben gehad als toen.

En dat allemaal dankzij een glanzend geschenk van mijn collega en inmiddels goede vriend Ad de Haan.

Het laat zich raden dat ik steevast, als ik in het najaar een paar glanzende kastanjes in m’n zak stop, denk aan de familie De Haan, die mij zeer dierbaar is!

Het ga jullie goed, tot in lengte van jaren!

Hester Höweler, 2 maart 2008

 

VWS, Bart van Sloten


Hopelijk ben ik nog op tijd met een kleine bijdrage voor uw vader. Ik ben later dan hij vz. geworden van de VWS. We zagen elkaar niet zoveel, want de vereniging vergaderde maar 3 à 4 keer per jaar. Het volgende uit mijn persoonlijke herinneringen kan ik melden.

At See de Haan zette me bij de kenninmaking al op 't verkeerde spoor en wel, hoe kan 't ook anders, door de spelling van z'n naam!
Ik hep geruime tijt (wel 'n jaar of meer denk ik) in de veronderstelling geleeft, dat ie See de Haan van z'n agternaam hete en At van z'n voornaam. Nou klopt dat laatste wel, maar dat See niet!
Dat z'n vader en moeder hem waarschijnlik Ad en niet At hadden genoemt bij z'n geboorte vermoede ik wel (ofschoon: met Friezen weet je dat nooit) maar die dubbele agternaam, dat duurde even voor ik er agter kwam dat dat in 't geheel niet klopte. A.C. de Haan, dat is 't gewoon en ons aller Jan Berits wees me daar op 'n gegeven moment op dat At alleen z'n voornaam had verspeld (bij z'n agternaam was dat immers niet nodig, anders dan bij de mijne: Slooten) en dat ie als spellingsgrapje daar At See van hat gemaakt. Gewoon De Haan dus en niks meer!

Ik herinner me verder uw vader als een simpatieke man die blijkbaar 'n groot liefhebber van Multatuli is, want in 't Multatulijaar hielt ie 'n vlammende toespraak op de jaarvergadering van de VWS die was gevormt ront de persoon van Multatuli (die immers ook kwa spelling wel eens afweek van het toen gebruikelike). 
't Speet me dat ie de vereniging aktief verliet. Later hep ik nog wel een telefonies kontakt gehat met hem in zijn boekwinkel in Dokkum, maar zoals dat gaat in veel gevallen, je raakt mekaar tog uit 't oog.  
Wens hem 't allerbeste in zijn komende "pensioenperiode"maar hem kennende, denk ik dat ie nog niet agter de geraniums zit!

Met vriendelike groeten,

Bart Slooten.

 

VWS Henk Capelle

Ik herinner me dat At plotseling op een vergadering voorgesteld werd als de nieuwe voorzitter. Ik had hem daar nog nooit eerder aangetroffen en had ook nooit iets over hem  gehoord of iets van hem gelezen in VWS-NIEWS. Door wie hij opgespoord is weet ik niet, heb ik nooit om gevraagd. Ik vond wel dat hij een frisse indruk maakte en ervaring had in zijn funksie als voorzitter. Enige jaren wist hij bizondere 'sprekers' aan te trekken voor onze jaarvergaderingen. We hadden de wind toen nog mee. Hij verdween weer even geruisloos als hij gekomen was. Maar ...  hij is de enige voorzitter van de VWS geweest die na zijn afscheid liT gebleven is. Geweldig. 

Henk Capelle

 

Het moet ergens in de zomer geweest zijn al heb ik er geen idee meer van in welk jaar het was, jullie woonden in elk geval nog in Hallum.

In die periode gebeurde het wel eens dat wij elkaar belden en dan bij een van ons afspraken om een potje te schaken,we zijn geen van beide

grootmeester in die tak van denksport en daarom was het leuk want  wij waren wat men noemt aan elkaar gewaagd De gastheer zorgde voor

een verfrissing hetgeen een koud borreltje betekende en soms zelfs tweeof drie. Afijn zo met een hapje en een snapje waren wij soms tot

diep in de nacht aan het ontspannen. Soms ging ook spontaan de deur open en kwam een van ons beiden onaangekondigd binnenvallen  

hetgeen bij goede vrienden natuurlijk geen enkel probleem was. Ik vermelde het al eerder wij lusten destijds gaarne een verfrissing hetgeen

er op neer kwam dat DE FLES altijd in de koelkast te vinden was. Uitgerekend op de dag dat je Pa even langs wipte had ik me net  een nieuwe

 fles geestrijk vocht aangeschaft en zo'n fles van de slijter is helaas niet gekoeld dus wat doe je dan? ja dat kan ook maar ik wilde dat het

koelproces wat sneller zou gaan dus ik koos voor de vrieskist. Niets aan de hand zul je misschien denken en inderdaad op het eerste gezicht

was er ook niets aan de hand de borrel was heerlijk koud,en op de fles die op de keukenbar neergezet was zag je de ijskristallen aan de

buitenkant groeien. Nou je begrijpt zo'n heerlijke koude borrel moest toch gevolgd worden door een volgende (op een been kun je immers

niet lopen). Wie schetst echter mijn verbazing toen broeder Ad na die tweede borrel enigszins met een bepaalde tongval begon te praten?

Dat was ik niet van hem gewend. Ook Ad zelf voelde zich zeker niet helemaal happy want hij ging naar huis, ik snapte er geen biet van.

Maar goed je loopt even mee naar de deur en je zwaait je gast uit en dan ga je naar binnen en je ruimt de "rommel" weer op.

En toen , toen begreep ik het opeens Een deel van de rijp die op de fles zat was verdwenen en toen ik de rest eraf veegde werd het mij

helemaal duidelijk. Als je in de fles keek leek het in het klein wel op een ijsberg onder water met allemaal spelonken en holen er in .

Vriend Ad had niet de gebruikelijke borrel van 35% alcohol naar binnen gewerkt maar waarschijnlijk iets met 70 of 80 % aan alcohol.

Gelukkig is hij goed thuis gekomen maar daarna heb ik toch nooit meer zo'n ijskouwe geserveerd of gedronken. Ik denk Ad ook niet.

 

Arie Boom